In de jaren zestig veranderde Nederland snel. De wederopbouw was voorbij, de welvaart groeide, en een nieuwe generatie stelde vragen bij alles wat vanzelfsprekend leek, ook bij de manier van wonen. Het moderne huis van na de oorlog was licht, open en functioneel geweest. Nu werd het vrijer, warmer en eigenzinniger.
Het woonhuis werd een proeftuin. Architecten experimenteerden met niveaus, met vides, met materialen die je voelt: baksteen, hout, kurk, beton. Opdrachtgevers durften het aan. En een deel van die huizen staat er nog, soms nauwelijks veranderd sinds de eerste bewoners erin trokken.
Structuralisme: de mens als maat
In de architectuurtheorie heette de nieuwe richting structuralisme. Het was een reactie op het functionalisme van de CIAM, dat volgens de critici had geleid tot een stedenbouw zonder identiteit. De structuralisten bouwden met kleine eenheden, gerelateerd aan de menselijke maat, samengevoegd tot een groter geheel. Aldo van Eyck was een van de eerste en meest invloedrijke vertegenwoordigers; met het Burgerweeshuis in Amsterdam (1960) kreeg hij internationale belangstelling. In 1959 stelde hij in het tijdschrift Forum een van de meest spraakmakende manifesten van de beweging samen, tegelijk het programma voor het CIAM-congres in het Kröller-Müller Museum in Otterlo.
Herman Hertzberger, leerling van Van Eyck en van 1959 tot 1963 met hem en Jaap Bakema in de redactie van Forum, zette die lijn voort. Hij omschreef het structuralisme als het onderscheid tussen een structuur met een lange levensduur en de invulling die daarbinnen kan veranderen. In Delft bouwde hij in 1971 de Diagoonwoningen, als experimentele woningbouw: huizen die de bewoners zelf verder konden invullen. Piet Blom ging nog verder, met de Kasbah in Hengelo (1973) en de kubuswoningen in Helmond (1975) en Rotterdam (1985).

De witte doos op poten
Tegelijk bleef de lijn van het Nieuwe Bouwen bestaan. Architectenbureau Van Tricht & Timmler, dat de objectpagina de opvolgers van Gerrit Rietveld noemt, hield die lijn vast. Villa Uilenstein in Leersum, volgens de kenmerken uit 1972, is een witte, optisch zwevende doos op een betonskelet met een raster van drie bij drie meter. De objectpagina legt de vergelijking met Le Corbusiers Villa Savoye.
Beneden ligt een woonkamer van dertien meter diep met ramen van vloer tot plafond, boven een gang met de kamers aan één zijde, een opzet die ook in de villa’s van Rietveld voorkomt. Het is een huis dat terugkijkt naar de jaren twintig en tegelijk helemaal van zijn tijd is: groot glas, ruw beton, een dakterras tussen de bomen.


Het woonhuis werd een proeftuin. Architecten experimenteerden met niveaus, met vides, met materialen die je voelt.
Acht vierkanten, acht niveaus
Hoe ver dat experiment kon gaan, laat Huize Sisu in Nijmegen zien. De Oostenrijks-Zweedse architect Victor Litschka ontwierp het huis, dat in 1975 werd gebouwd op een vijfhoekig perceel in de wijk Weezenhof. Het bestaat uit acht gelijkwaardige vierkanten, verdeeld over acht niveaus die telkens zestig centimeter hoger liggen, rond een open hart met een vierkante zitkuil. Een glazen dak laat het licht tot in de kuil vallen.
Galerijen en trappen met houten balusters slingeren rond de vide. De objectpagina noemt de ruimtelijke logica verwant aan die van M.C. Escher. Het pand was niet alleen woonhuis, maar ook ontwerpcentrum, architectenbureau, galerie en muziekruimte: een huis als werkplaats voor een manier van leven.


Het integrale ontwerp
Een ander antwoord op dezelfde tijd gaf architect Wiebe Hylkema aan het Hofmar bij It Heidenskip. In 1976–1977 werd daar, op de voetafdruk van een oude Friese hoeve, een huis gebouwd in de vorm van een klassieke stolpboerderij. Hylkema ontwierp exterieur en interieur, inclusief delen van het meubilair, als één samenhangend geheel. De ontvangsthal reikt over twee verdiepingen, het donkere houtwerk van trappenhuis en mezzanines keert overal terug tegen ruwe baksteen.
Het is een huis dat de traditie omarmt en tegelijk volledig modern is in zijn ruimtewerking. De objectpagina noemt het een tijdcapsule van de jaren zeventig, en dat is het: wie binnenkomt, stapt een interieur binnen dat sinds de bouw zijn samenhang heeft behouden.

Maat en verhouding: de Bossche School
Heel anders, en even consequent, is de Bossche School. Deze traditionalistische stroming, gebaseerd op het gedachtegoed van Dom Hans van der Laan, beleefde haar hoogtepunt in de jaren zestig en zeventig. Ruimtewerking en evenwichtige maatverhoudingen staan centraal, met het plastisch getal als leidraad. Jan de Jong koos als eerste architect van de Bossche School voor een strakke, sobere stijl.
Die versobering begon in de kerkbouw. Rond 1956–1957 veranderde de vormgeving van de Bossche School sterk, onder invloed van Van der Laans ontwerp voor de abdijkerk bij Vaals en een aantal vernieuwende kerkontwerpen van Jan de Jong. De Jong ontwierp grote hallenkerken waarin de kerkvloer werd opgevat als een stadsplein, een ontmoetingsplek. Hetzelfde denken over ruimte, maat en ontmoeting nam hij mee naar het woonhuis.
Zijn woonhuis aan de Kleine Veer in Empel, volgens de kenmerken uit 1987, laat zien waar dat toe leidt: een speklaag, strakke diagonalen, sobere steen, en binnen houten lamellenplafonds die de looprichting volgen. Woonkamer, eethoek en keuken zijn alleen door wandaanzetten van elkaar gescheiden. Het is een huis waarin alles maat is.
Het interieur sluit daarop aan. Binnen volgen houten lamellenplafonds de looprichting, zodat het plafond je als het ware door het huis leidt. De Jong zelf noemde het, met die belijning van de lamellen in het plafond, ‘een compositie die simpelweg niet kán vervelen’.
Gewone straten, ongewone huizen
Niet elk huis uit deze jaren is van een beroemde architect. Aan de Ouddiemerlaan in Diemen staat een stadsvilla uit 1976 met kurkwanden, schrootjesplafonds, rookglas, Sphinx-tegels in diepe kleuren en een originele zitkuil achter de open haard; een winter-/zomertrap opent in de zomer de vide tot in de nok. Op de Kwakkenberg in Nijmegen staat een vrijstaand huis uit 1978 met gevels van MBI-betonsteen, een lichte entreehal met een royale trap onder een dakraam, en een living met haardpartij en zitkuil.


Zulke huizen worden vaak onderschat. Ze passen niet in het beeld van ‘klassiek modern’, ze zijn niet wit en niet strak, en hun interieurs worden snel ‘gedateerd’ genoemd. Maar juist daar zit hun waarde: ze zijn een zeldzaam gaaf document van een tijd die in de meeste huizen allang is weggebouwd. Wie zo’n huis koopt, kan kiezen om het verhaal voort te zetten, en dat is vaak de mooiste keuze.



