
Leven
Hans van der Laan werd op 29 december 1904 in Leiden geboren, als zoon van de Leidse architect Leo van der Laan; ook zijn broers Jan en Nico werden architect. Hij studeerde van 1923 tot 1926 bouwkunde in Delft, waar Granpré Molière vanaf 1924 de toon zette, maar na drie jaar koos hij voor het klooster: hij werd benedictijner monnik in de Sint-Paulusabdij in Oosterhout. Als koster raakte hij geïnteresseerd in liturgische voorwerpen en kerkmeubilair, en zo opnieuw in de bouwkunst. In 1968, na de voltooiing van de abdijkerk, verhuisde hij naar de abdij Sint-Benedictusberg in Mamelis bij Vaals, waar hij op 19 augustus 1991 overleed.
Werk
Van der Laan zocht naar wat architectuur in wezen is en ontwikkelde een theorie over ruimte, vorm en maat, met het plastisch getal als kern. Na de oorlog gaf hij met zijn broer Nico de cursus Kerkelijke Architectuur in het Kruithuis in ’s-Hertogenbosch; uit die cursus kwam de Bossche School voort. Hij bouwde weinig. Zijn bekendste gerealiseerde werk is de kerk van de abdij Sint-Benedictusberg (1956–1968); zijn ontwerp voor de nieuwe kloosterhof daar (1985–1987) kreeg in 1989 de Architectuurprijs Limburg. In Best liet Jos Naalden een woonhuis naar zijn ontwerp bouwen (1978–1981).

Betekenis voor het moderne woonhuis
Voor het moderne woonhuis is Van der Laan vooral via zijn leerlingen belangrijk. Architecten als Jan de Jong, die van 1953 tot 1956 zijn cursus volgde, pasten het plastisch getal toe in woonhuizen van grote soberheid: muren, openingen en ruimtes in een vast stelsel van maten, zonder versiering. Wie zo’n huis binnenloopt, ervaart de rust van verhoudingen die kloppen. Ook S.J. van Embden, van wie Redres het raadhuis in Schoondijke verkocht, richtte als student samen met Van der Laan de Bouwkundige Studiekring op.
Bij Redres
Redres verkocht het woonhuis aan de Kleine Veer in Empel van Jan de Jong, die het plastisch getal van Van der Laan in zijn huizen toepaste.


